In het zevende hoofdstuk van zijn evangelie beschrijft Markus een discussie tussen de Heer Jezus en een aantal Farizeeën over rein en onrein. Weer terug in huis vroegen zijn discipelen daar verder naar. De heer Jezus antwoordde: Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt? Markus voegt daar de volgende woorden aan toe: Zo verklaarde hij alle spijzen rein (Markus 7:1-23, bijzonder de verzen 18 en 19).
Over de vraag wat dat commentaar van Markus nu precies betekent, verschillen de meningen nogal. En die verschillende meningen hebben nogal sterk verschillende impact op ons dagelijks leven.
Aan de ene kant is er de mening die met name van uit de kringen van Messias-belijdende Joden komt. In deze uitleg wordt benadrukt dat in het begin van deze perikoop gaat om het eten met ongewassen handen. Het gaat om de manier van eten, maar het eten zelf staat niet ter diskussie. Binnen de Joodse contekst gaat het natuurlijk om dat wat gegeten mág worden, de reine spijzen.
In deze uitleg gaat het de Heer erom duidelijk te maken dat het er niet zoveel toe doet hoe je eet, want of je je handen nu wel of niet wast: het is niet wat de mond ingaat, maar wat uit het hart komt dat een mens verontreinigt.
Maar deze uitleg verklaart voor mij niet de conclusie van Markus. Ik had dan eerder verwacht: zo verklaarde hij alle manieren van eten rein. Als het alleen gaat om het voedsel dat de wet rein verklaarde, dan voegt de opmerking van de Heer Jezus daar niets aan toe. Wat maakt het uit dat de Heer rein verklaart wat de wet al rein heeft verklaart. Dan kan hooguit bedoeld worden dat de Heer instemt met wat de wet zegt. Maar juist dat is wat voor elke Jood vanzelfsprekend is.
Het is juist die formulering 'zo verklaarde hij alle spijzen rein' die mij brengt tot de andere uitleg. In plaats van instemming suggereert deze manier van zeggen eerder een tegenstelling: zo - door te zeggen dat wat de mond ingaat de mens niet onrein kan maken - verklaarde hij - in tegenstelling tot wat eerder gezegd was - alle spijzen rein - en dus niet allen de spijzen die volgens de wet rein waren. Want wat de mond ingaat - en dat geldt dan voor alle spijzen - kan de mens niet verontreinigen.
Echte onreinheid komt van binnen uit, uit het hart, uit wat je zegt. Wat je eet is niet van belang voor de vraag of je rein bent - laat staan dus als je je handen niet gewassen zou hebben volgens de tradities die zich binnen het Jodendom gevormd hadden. De huichelarij van de Farizeeën die hij in dit stuk aan de kaak stelt, is daar een treffend voorbeeld van. Dát, zegt de Heer impliciet, maakt júllie onrein. Dat is vele malen erger dan het eten van onreine spijzen of het eten met ongewassen handen.
Wat je zegt, ja, wat je denkt, wat er in je hart omgaat, dát is bepalend voor de vraag of je rein bent.