woensdag, juli 08, 2009

Alle voedsel rein

In het zevende hoofdstuk van zijn evangelie beschrijft Markus een discussie tussen de Heer Jezus en een aantal Farizeeën over rein en onrein. Weer terug in huis vroegen zijn discipelen daar verder naar. De heer Jezus antwoordde: Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt? Markus voegt daar de volgende woorden aan toe: Zo verklaarde hij alle spijzen rein (Markus 7:1-23, bijzonder de verzen 18 en 19).

Over de vraag wat dat commentaar van Markus nu precies betekent, verschillen de meningen nogal. En die verschillende meningen hebben nogal sterk verschillende impact op ons dagelijks leven.

Aan de ene kant is er de mening die met name van uit de kringen van Messias-belijdende Joden komt. In deze uitleg wordt benadrukt dat in het begin van deze perikoop gaat om het eten met ongewassen handen. Het gaat om de manier van eten, maar het eten zelf staat niet ter diskussie. Binnen de Joodse contekst gaat het natuurlijk om dat wat gegeten mág worden, de reine spijzen.
In deze uitleg gaat het de Heer erom duidelijk te maken dat het er niet zoveel toe doet hoe je eet, want of je je handen nu wel of niet wast: het is niet wat de mond ingaat, maar wat uit het hart komt dat een mens verontreinigt.

Maar deze uitleg verklaart voor mij niet de conclusie van Markus. Ik had dan eerder verwacht: zo verklaarde hij alle manieren van eten rein. Als het alleen gaat om het voedsel dat de wet rein verklaarde, dan voegt de opmerking van de Heer Jezus daar niets aan toe. Wat maakt het uit dat de Heer rein verklaart wat de wet al rein heeft verklaart. Dan kan hooguit bedoeld worden dat de Heer instemt met wat de wet zegt. Maar juist dat is wat voor elke Jood vanzelfsprekend is.

Het is juist die formulering 'zo verklaarde hij alle spijzen rein' die mij brengt tot de andere uitleg. In plaats van instemming suggereert deze manier van zeggen eerder een tegenstelling: zo - door te zeggen dat wat de mond ingaat de mens niet onrein kan maken - verklaarde hij - in tegenstelling tot wat eerder gezegd was - alle spijzen rein - en dus niet allen de spijzen die volgens de wet rein waren. Want wat de mond ingaat - en dat geldt dan voor alle spijzen - kan de mens niet verontreinigen.

Echte onreinheid komt van binnen uit, uit het hart, uit wat je zegt. Wat je eet is niet van belang voor de vraag of je rein bent - laat staan dus als je je handen niet gewassen zou hebben volgens de tradities die zich binnen het Jodendom gevormd hadden. De huichelarij van de Farizeeën die hij in dit stuk aan de kaak stelt, is daar een treffend voorbeeld van. Dát, zegt de Heer impliciet, maakt júllie onrein. Dat is vele malen erger dan het eten van onreine spijzen of het eten met ongewassen handen.

Wat je zegt, ja, wat je denkt, wat er in je hart omgaat, dát is bepalend voor de vraag of je rein bent.

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.

zondag, juli 05, 2009

Jezus, de Zoon van God

Onlangs ontving een brief van iemand die beweerde een christen te zijn en een bijzonder woord te hebben van de heer Jezus. Maar een van de dingen die deze man met grote stelligheid ontkent, is dat Jezus van eeuwigheid God zou zijn.

In zijn visie is Jezus een man, geboren uit de maagd Maria, maar pas vergoddelijkt tot Christus toen hij na de doop door Johannes gedoopt werd met de heilige geest. "Hij is onze god met een kleine g, terwijl onze Vader in de hemel onze God is met een grote G," schrijft hij letterlijk. Niet alleen leert hij daarmee in feite een vorm van polytheïsme (er zijn meer goden, al hebben ze een verschillende status), ook ontkent hij daarmee een van de meest wezenlijke aspecten van het Christendom. Ik aarzel dan ook hem broeder te noemen.

De cruciale vraag is dan of Jezus voor zijn geboorte bestond.

Nee, antwoordt de schrijver van de brief.

Maar ik zeg dan: over wie schrijft Johannes dan, wanneer hij zegt: In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat (Johannes 1:1-3). En wat verderop:Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid... (1:14).

Ik zou hierbij het volgende willen opmerken:
  1. Johannes onderscheidt hier twee identiteiten, God en het Woord.
  2. Het Woord heeft een actieve rol gespeeld in de schepping (zoals bv. ook in Hebreeen 1:2 en Kolosse 1: 16).
  3. Het Woord is mens geworden. Hij was dus eerst 'Woord' en pas in tweede instantie 'mens'.
Er is ook een merkwaardig vers in de Hebreeën brief: Hoewel hij zijn Zoon was, heeft hij moeten lijden, en zo heeft hij gehoorzaamheid geleerd (5 vers 8). Het is merkwaardig omdat naar onze menselijke begrip het juist omgekeerd zou moeten zijn.

Je zou verwachten: Omdat hij zoon was, heeft hij gehoorzamheid geleerd. Want elke zoon leert terwijl hij opgroeit gehoorzamen. Maar hier is iemand die hoewel hij zijn Zoon was, nog geen gehoorzaamheid geleerd had, maar dat tijdens zijn leven, door alle lijden heen, geleerd heeft. Dat kan dus alleen als hij eerst Zoon was zonder als zodanig te zijn opgegroeid, zonder als mens geboren te zijn.

Wat betekent dat vers in de Hebreeën-brief dan? Dat hij hoewel hij zijn Zoon was, hem (God de Vader) niet ondergeschikt was. Dat kwam pas toen hij als mens hier op aarde leefde.

Hij was - zoals Paulus het in Filippenzen 2 vers 5-7 - God gelijk. Hij
  1. had de gestalte van God,
  2. deed afstand van zijn gelijkheid aan God,
  3. nam de gestalte aan van een slaaf en
  4. werd gelijk aan een mens.
Let weer goed op de volgorde: eerst God, vervolgens werd hij - door een bewuste keus en handeling - een mens.

Dit is fundamenteel onderwijs van de Bijbel, zo wezenlijk, dat ik iemand die dit loochent geen broeder of zuster kan noemen. Johannes zegt zelfs: Wie niet bij de leer van Christus blijft maar verder wil gaan, heeft God niet (2de brief van Johannes, vers 9).

Want waar het uiteindelijk om gaat is de vraag: Wie heeft mijn zonden gedragen?

Ik geloof, met de Bijbel in mijn hand, dat God zelf dat gedaan heeft. Daarom is Hij mens geworden, daarom heeft Hij - zoals het in Hebreeën 2 staat - aan bloed en vlees deelgenomen (Telosvertaling). Daarom heeft Hij zich vernederd - nadat hij mens geworden was, Filippenzen 2:8 - en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan een kruis. Zover wilde God zelf gaan om mij te redden uit de macht van de duisternis.

Wie dat niet gelooft, heeft God niet, die heeft een andere god, een mindere god, een afgod.

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.
De Telosvertaling is een uitgave van Uitgeverij H.Medema, Vaassen.

De oudste zoon van Noach

De vertaling van Genesis 10:21 wil nog wel eens verschillen als je meerdere vertalingen vergelijkt. Het lijkt wel of ze het er niet over eens zijn wie nu de oudste zoon van Noach is. De NBV schrijft: Ook Sem kreeg zonen. Hij, de oudste broer van Jafet, is de stamvader van alle nakomelingen van Heber. Maar Darby vertaalt: And to Shem - to him als were [sons] born; he is the father of all the sons of Eber, the brother of Japheth the elder.

Het hebreeuws laat beide vertalingen toe. Toch is de keuze van de vertaling niet willekeurig. De Bijbel geeft voldoende aanwijzingen om een gefundeerde keuze te maken.

In Genesis 5 vers 32 lezen we: Toen Noach 500 jaar oud was, verwekte hij Sem, Cham en Jafet. In hoofdstuk 9 vers 24 staat nadrukkelijk vermeld dat Cham Noachs jongste zoon was. Dus het vers in hoofdstuk 5 geeft geen leeftijdsvolgorde. Blijft dus de vraag wie in Noachs 500ste jaar geboren werd.

Die vraag wordt impliciet beantwoord in hoofdstuk 11, waar we lezen in vers dat Sem, toen hij honderd jaar oud was, Arpachsad verwckte 2 jaar na de vloed. Dat betekent dus dat Sem 98 was in het jaar van de vloed (het 600ste van Noach) en dus geboren moet zijn in het 502de jaar van Noach.

Sem kan dus de oudste niet zijn. Cham was de jongste. Blijft dus alleen Jafet over. Hij moet degene zijn die in het 500ste jaar van Noach geboren is, Noachs eerstgeborene. Hij is de oudste van de drie.

Daaruit volgt dus dat zowel de NBG als de NBV, maar ook de Statenvertaling voor de verkeerde vertaling heeft gekozen. De vertaling zou moeten zijn: Ook Sem kreeg zonen. Hij, de broer van Jafet de oudste (of: de oudere), is de stamvader van alle nakomelingen van Eber. In mijn eigen vertaling: Aan Sem, ook aan hem, werd [nageslacht] geboren. [Hij is] de vader van alle zonen van Heber, de broer van Jafet de ouderen.

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.