dinsdag, maart 25, 2008

Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt

1 Korinthe 15

Er was veel mis in Korinthe. Er waren morele misstanden, er waren scheuringen en er was ook een gevaarlijke dwaling. Er waren mensen die beweerden dat er geen opstanding was.

Paulus neemt een heel hoofdstuk om deze dwaling en zijn (mogelijke) effecten te weerleggen. Hij doet dat in 7 stappen.

1. Getuigenissen (1-11)

Paulus begint met de basis. Christus, zo begint hij, is voor onze zonden gestorven, zoals in de Schriften staat en hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat (vs.3 en 4).

De opstanding is met andere woorden al van te voren door God aangekondigd en heeft dus dezelfde grondslag als het feit dat hij voor onze zonden gestorven is. Als je het één loslaat, moet je het ander loslaten.

En het is ook niet iets nieuws dat Paulus heeft geïntroduceerd. Wat ik aan jullie, Korinthiërs, heb doorgegeven, zegt hij, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen! En dat was het evangelie dat ze zelf hadden aangenomen.

Maar bovendien, voegt Paulus eraan toe, is hij verschenen! En niet aan één man of vrouw, nee, hij noemt een hele reeks getuigen. Bij één gelegenheid zelfs aan meer dan vijfhonderd man. En ook Paulus zelf had hem gezien.

2. u bent nog een gevangene van uw zonden (12-19)

Vervolgens begint Paulus te wijzen op de gevolgen van het ontkennen van de opstanding.

Die mensen die beweren dat er geen opstanding is, zeggen dus in feite dat Paulus (en de andere apostelen) die dit vanaf het begin verkondigd hebben, leugenaars zijn, ja dat God zelf gelogen heeft.

Maar het belangrijkste gevolg als er geen opstanding is, is dat dus ook Christus niet is opgestaan. Dat maakt heel je geloof zinloos, want als Christus niet is opgestaan, dan zijn jullie nog steeds gevangenen van je zonden.

Juist omdat Hij is opgestaan, weten we dat zijn offer voldoende was, dat de zonden weg zijn.

3. opdat God over alles en allen zal regeren (20-28)

Maar, vervolgt Paulus, Christus is werkelijk uit de dood opgewekt. De vooraankondiging door God in de Schriften en de getuigen die hem na zijn opstanding gezien hebben, zijn genoeg om dat zeker te weten.

En daarmee ligt de weg open voor de vervulling van Gods plan.

Want God heeft een doel voor ogen dat nauw verbonden is met de opstanding, van Christus, maar ook van alle andere mensen. De dood is in de wereld gekomen door een mens, Adam. Zo is ook de opstanding uit de dood er door een mens: Christus. God kon ons toch niet in de dood laten. Dan zou de duivel gewonnen hebben.

Nee, er is een opstanding uit de dood. Ieder in zijn eigen volgorde: Christus als eerste en daarna, wanneer hij komt, zij die hem toebehoren (vs.23). En daarna komt het einde, wat hier zoveel betekent als het einddoel en niet einde in de zin dat alles ophoudt. Integendeel, dit einde is juist een nieuw begin, een nieuw begin in opstandingskracht.

Na zijn komst is Christus koning totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd’. De laatste vijand is de dood. De regering van Christus is er dus uiteindelijk op gericht om de dood te niet te doen!

Dan draagt hij het koningschap over aan God, de Vader (vs.24), opdat God over alles en allen zal regeren (vs.28).

Dat doel ligt besloten in en kan allen gerealiseerd worden door de opstanding van Christus uit de dood!

4. geen enkele kennis van God (29-34)

Als er geen opstanding zou zijn, waarom zouden mensen dan door de doop de plaats innemen van de christenen die al door vervolgingen om waren gekomen? Waarom zou je deel willen uitmaken van zo'n gezelschap.

Zelf ondervond Paulus deze vervolging. Waarom zou ik dat doen? vraagt hij de Korintiërs. In Efeze heb ik op leven en dood gevochten; wat zou ik daarmee hebben bereikt als ik geen hoop had? Sterker nog, mijn beste Korinthiërs, voegt hij eraan toe: Wanneer de doden toch niet worden opgewekt, kunnen we maar beter zeggen: ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we.’

Dat is de uiterste consequentie van dat denken. Als er geen opstanding is, dan is dit leven het enige dat we hebben en dan moet je daar maar het beste van maken. Dan ga je je toch niet in gevaren wagen?

En vergis je niet. Als je met dit soort ideeën omgaat, als je ze tolereert, dan zal dat je denken beïnvloeden! Maar vergis u niet: slecht gezelschap bederft goede zeden.

Hij eindigt dit stukje met hetzelfde verwijt dat de Heer Jezus de Sadduceeën maakte (Mt.22:29, 31-32): Sommigen van u hebben geen enkele kennis van God. U moest u schamen. Als je God werkelijk kent, weet je dat Hij een God van opstanding is, een God van leven.

5. Het opstandingslichaam (35-49)

Natuurlijk leidt dat tot de vraag welke vorm die opstanding dan aanneemt. Wat voor lichaam zal dat dan zijn?

Ik wil niet uitgebreid op alle verzen ingaan. Waar het in essentie op neer komt is dat Paulus zegt dat we dat in feite niet weten, omdat we alleen maar weten wat we zaaien: ons aardse lichaam, ons natuurlijk lichaam. En net zo min als je je op basis van een graankorrel een aar kunt voorstellen, kunnen wij ons het opstandingslichaam voorstellen.

Het belangrijkste wat hij erover kan zeggen, zijn tegenstellingen: Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wat we zaaien is vergankelijk, zwak, onaanzienlijk en aards (eigenlijk: door de ziel gekenmerkt). Wat we zullen oogsten is onvergankelijk, schitterend, krachtig en geestelijk (dus: door de geest gekenmerkt, de Heilige Geest uiteindelijk).

Voor God waren er maar twee mensen: de Eerste Mens, Adam, en de Tweede Mens, Christus. Allen die van Adam afstammen, zijn als Adam. Maar wie Christus aannemen, worden als Hij en zullen deel krijgen aan diezelfde opstanding en het lichaam dat daarbij hoort. In Christus, door zijn opstanding, is God iets nieuws begonnen. Daarom is Hij niet alleen de Tweede Mens, Hij is ook de Laatste Adam. Er komt geen andere meer. In Hem is Gods doel bereikt, al is het nog niet verwerkelijkt. maar dat zal wel komen: zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.

6. De wederkomst (50-57)

Paulus gaat nog een stap verder. De opstanding is niet alleen wenselijk, niet een leuk extraatje. Nee, het is essentieel: wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God; het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid.

Het Koninkrijk van God wordt hier bedoeld zoals eerder in dit hoofdstuk: het Koninkrijk in heerlijkheid, niet in zijn verborgen vorm zoals wij het nu kennen. Nee, wanneer Christus straks komt in heerlijkheid om dat rijk op te richten, dan hebben wij dat geestelijk lichaam, dat onvergankelijke lichaam nodig. Anders kunnen we niet mét Hem verschijnen, niet met Hem vanuit de hemel regeren.

En dan verklapt hij een geheimpje: Degenen die al gestorven zijn zullen opgewekt worden, daar heeft hij net over gesproken. Maar hoe zit het met degenen die dan leven? Moeten die ook eerst sterven? Nee, zegt Paulus, wij zullen [...] allemaal veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk. Wij zullen - als je het heel letterlijk vertaalt - een metamorfose ondergaan. Net als de rups die in een vlinder verandert, maar dan in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk.

Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke. En als dat gebeurd is, dan is wat ons betreft de dood verslagen en beroofd van zijn macht! Daar ligt onze christelijke hoop: de opstanding uit de doden, bekleed te worden met een onvergankelijk en onsterfelijk lichaam, gelijk aan het lichaam van Christus' heerlijkheid (Fp.3:21, 1 Jh.3:2)

7. Conclusie (58)

Kortom (of beter: Daarom), geliefde broeders en zusters, wees standvastig en onwankelbaar en zet u altijd volledig in voor het werk van de Heer, in het besef dat door de Heer uw inspanningen nooit tevergeefs zijn. (vs.58)

Nu hij ons duidelijk gemaakt heeft hoe essentieel het geloof in de opstanding uit de doden is, de opstanding van Jezus Christus, kan Paulus tot de conclusie komen: wees standvastig, laat je niet aan het wankelen brengen, zet je in voor de Heer, want je weet dat het niet tevergeefs is: Er volgt een opstanding en dan zullen we beloond worden en terug kunnen kijken op alles wat we voor Hem hebben mogen doen.

Het is de opstanding uit de doden en onze hoop daarop, die ons leven hier perspectief en richting geeft.

Houd daaraan vast!

----
De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.

donderdag, maart 20, 2008

...en jullie zullen mijn getuigen zijn

Laatst vertelde een kennis over een programma dat hij had gezien. Het ging over een (christelijk) gezin in de VS dat met borden langs de weg stond, waarin alles en iedereen scherp veroordeeld werd en met de hel bedreigd.

Is dat de manier waarop wij getuigen in deze wereld moeten zijn?

Hieronder volgen een aantal Bijbelteksten die denk ik laten zien hoe je als christen in deze wereld zou moeten staan. Ik zal er niet veel over zeggen, denk er maar eens over na!

Stel, voor zover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven. (Rm.8:12)
Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij. (Fp.4:5)
Leid te midden van de ongelovigen een goed leven, opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag waarop hij komt rechtspreken... God wil namelijk dat u door het goede te doen onwetende dwazen de mond snoert. (1 Pt.2:12,15)

Erken Christus als Heer en eer hem met heel uw hart. Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden. (1Pt.3:15)


Gedrag gaat voorop! En als we woorden spreken, laat het dan positief zijn, een getuigenis zijn van 'de hoop die in ons leeft.'

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.

vrijdag, maart 14, 2008

Die draagt veel vrucht

Johannes 15:1-17

Wanneer christenen over vrucht dragen praten, bedoelen ze daar vaak bekeerlingen mee. Maar is dat wel (altijd) terecht?

Wat bedoelde Jezus toen hij tegen zijn discipelen zei: De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen'? Om daarachter te komen moet je kijken naar het beeld dat Jezus hier gebruikt: de wijnstok en de wijnranken.

Jezus is de wijnstok. Hij wortelt in de grond en haalt daar de voedingsstoffen uit. Wij zijn de ranken. Wij zitten 'in' de stok en ontvangen onze voeding van Hem. Wij dragen de vruchten: druiven. Althans, dat is de bedoeling. Als een rank geen vrucht voortbrengt, is deze niet 'aangesloten' op de wijnstok. Dan worden hij verwijderd en verbrandt.

Je kunt dus wel een christen lijken, maar als je niet werkelijk 'in' Jezus bent, als je niet door Hem gevoed wordt, kún je geen vrucht voortbrengen en dan heb je voor de Vader geen waarde. Het is dus van belang niet alleen een christen te lijken, maar het ook werkelijk te zijn!

Maar wat houdt het nou in om vrucht te dragen?

'Aan de vrucht kent men de boom,' is de aan de Bijbel ontleende zegswijze. Dat is dan ook precies waar het om gaat. De vrucht die de Vader bij ons zoekt, zijn de karaktertrekken van Jezus onze Heer. Daarom is vrucht dragen zo nauw verbonden met discipelschap: Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat jullie veel vrucht dragen, en jullie zullen mijn discipelen zijn (Jh.15:8 TV).

Een druif toont het karakter van de wijnstok, zoals een appel het karakter van een appelboom toont. Het is natuurlijk niet voor niets dat de Heer Jezus hier een wijnstok kiest. Het is in het Oude Testament een veel gebruikt beeld voor Israël. En keer op keer moesten de profeten constateren dat het volk van Israël en Juda niet de vruchten voortbracht die God ervan verwachtte.

Daarom noemt de Heer Jezus zich hier: de ware wijnstok.

Het is de wijn waarvan gezegd wordt dat het het hart van God en mensen verblijdt (Ri.9:13 NBG). God zoekt nu de vrucht die zijn hart verblijdt bij ons, de discipelen, de volgelingen, de leerlingen van Jezus.

En hoe doe je dat dan, vrucht dragen?

Welnu, het belangrijkste daarvoor is al genoemd: in Hem blijven. Hij is immers de wijnstok, degene die de voedingsstoffen levert. Voortdurend met Jezus in contact blijven is de belangrijkste voorwaarde om vrucht te kunnen dragen. Als we Hem beter leren kennen, dieper leren kennen, zal dat ons leven veranderen, zal dat ons karakter veranderen. Dan gaan we meer op Hem lijken.

Een tweede punt dat de Heer Jezus noemt, is dat zijn woorden in ons moeten blijven. We hebben het nodig om in de Bijbel te lezen en over wat we lezen na te denken. Wat David al schreef in de eerste Psalm: 'Gelukkig de mens... die vreugde vindt in de weg van de HEER en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.'

Het derde punt dat uit de eerste twee voortvloeit: zijn geboden bewaren. We moeten niet alleen lezen, en overdenken, maar ook doen. Daarin, zegt de Heer Jezus, toon je je liefde. Als je echt van mij houdt, dan doe je graag wat Ik aangenaam vind! En dan weet je ook wat Ik fijn vind. Zo werkt het in elke relatie.

Als we dat doen, dan zullen we zijn vreugde ervaren, niet alleen dat Hij blij is over ons, maar ook zelf blij zijn omdat we weten dat we vrij kunnen zijn in onze omgang met Hem. Als we dat doen, staat er niets tussen ons en God de Vader en de Heer Jezus.

En dan brengen we de vrucht voort die de Vader zoekt!

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.

TV = Telos Vertaling,Uitgeverij H.Medema, Vaassen, 1982

donderdag, maart 13, 2008

Hij roept ze bij hun naam, een voor een

Jesaja 40

De eerste 37 hoofdstukken van Jesaja gaan vooral over de Assyriërs die Juda vanuit het noorden bedreigden. Zij vormen een bedreiging, omdat Juda zich verre houdt van God, hun maker, vanwege hun goddeloosheid en wangedrag. Daarom - zo zegt Jesaja - heeft God de Assyriërs laten komen, om jullie te tuchtigen!

Maar de Assyrische koningen beroemden zich al te zeer op hun macht en meenden dat zij Juda door hun eigen kracht en macht konden veroveren.

Als het leger uiteindelijk voor de poorten ligt, bespotten de Assyrische bevelhebbers Juda, Jeruzalem en de koning... En de God van Jeruzalem. Maar God laat niet met zich spotten en het Assyrische leger wordt voor een aanzienlijk deel vernietigd en druipt af.

Maar de morele en religieuze situatie is in Juda niet veranderd.

Aan de ene kant schitterde het geloof van koning Hizkia in deze crisis, maar aan de andere kant lag daar ook de basis van zijn falen. Er was namelijk niet alleen sprake van een belegering, Hizkia was ook nog ernstig ziek, ten dode toe. Maar op zijn gebed, zijn geloof, gaf God hem nog 15 jaren.

Zijn wonderlijke herstel (en de nederlaag van de Assyriërs) was voor Merodach Baladan, net koning in Babel de aanleiding om een gezantschap te sturen. Er wordt ons niet verteld wat de inhoud wasvan de brief die zij meebrachten. Maar als je ziet hoe Hizkia zijn best doet om indruk te maken - hij toonde zijn rijkdom, zijn wapentuig - lijkt het voor de hand te liggen dat Merodach Baladan graag een verbond wilde. En Hizkia was niet afkerig...

Jesaja spreekt hem daarop aan. Want God ziet zo'n verbond helemaal niet zitten en Hizkia had verzuimd naar Gods wil te vragen. Sterker nog: hij moest Jesaja's profetie over Babel (Js.13-14) kennen en had dus beter moeten weten. Hij had moeten getuigen van zijn vertrouwen op God om hen te beschermen, zoals hij tegenover de Assyriërs had gedaan (Js.36:6, 14-15).

Daarom is Gods oordeel scherp: Alles wat hij had laten zien, zou naar Babel worden afgevoerd en ook zijn zonen (nazaten).

Hizkia's enige troost is dat het niet tijdens zijn leven zou gebeuren.

Maar de aankondiging van deze ballingschap zet de toon voor de rest van het boek.

Daarom begint hoofdstuk 40 ook met woorden van troost. Want als God een oordeel aankondigt, is er voor de getrouwen altijd troost! Babel zal voor het volk van God niet het eindpunt te zijn.

Die troost is viervoudig: ten eerste dat er een eind komt aan de ballingschap, ten tweede dat de heerlijkheid, de luister van God geopenbaard zal worden en iedereen dit zal zien, ten derde dat alle mensen als gras zijn - en dus geen stand kunnen houden als Gods heerlijkheid geopenbaard wordt - maar dat zijn woord standhoudt (en dus ook wie daarop bouwen) en tenslotte dat God zal wonen in Jeruzalem, temidden van de steden van Juda, en dat hij als een herder voor de zijnen zal zorgen!

Vervolgens stelt Jesaja de grootheid van God als schepper tegenover de volken die voor God niet meer zijn dan een stofje aan een weegschaal, en de afgoden die niet meer zijn dan het maaksel van mensenhanden.

Waar zou jij op vertrouwen? vraagt Jesaja daarmee eigenlijk. Waar ben je bang voor? Voor die volken die je omringen met hun legers en koningen? Wat zijn die nu vergeleken met God de schepper van hemel en aarde? Voor Hem is zijn de oceanen (bij wijze van spreken natuurlijk) niet meer dan een handvol water...

Ben je bang voor de goden van die volken? Waarom zou je voor die goden buigen. Ze kunnen niets. Nee, dan God:

"Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen?
Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken,
hij roept ze bij hun naam, een voor een;
door zijn kracht en onmetelijke grootheid
ontbreekt er niet één." (Js.40:26)
Heb je wel eens 's nachts naar de sterren gekeken. Dat moet je eens doen, ver van de stad, ver van de lichtbronnen en dan kijken naar al de sterren die je dan ziet. Er zijn zo ontzettend veel sterren, en ze staan zo ontzettend ver van ons vandaan, maar God kent ze allemaal. Hij roept ze bij hun naam, een voor een!

Is God niet geweldig groot? En Hij is het die als een herder, zorgzaam en liefdevol, voor jou wil zorgen.


De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

Hij heeft onder ons gewoond

Johannes 1:1-18

Wat mij altijd weer zo treft is dat Johannes schrijft: 'Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond' (Jh.1:18).

Johannes kiest voor zijn evangelie een heel andere invalshoek dan de andere drie evangelisten. Terwijl Mattheüs, Markus en Lukas zich vooral richten op 'wat Jezus gezegd en gedaan heeft' (vgl. Hd.1:2), concentreert Johannes zich op wie Jezus ís.

Daarom vind je juist bij Johannes uitspraken zoals: Ik ben de goede herder, Ik ben de opstanding en het leven, Ik ben de weg, de waarheid en het leven.

Daarom begint Johannes ook bij 'het begin': 'In het begin was het Woord'.

Een woord is de uitdrukking van wat je in gedachten hebt. Zo is de Zoon, Jezus, ook de volmaakte uitdrukking van wat God in gedachten heeft. Daarom kan Hij ook zeggen: wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.

Dat Woord is vlees geworden. Hij is mens geworden. Hij is onder ons komen wonen. God zelf - het Woord was niet alleen bíj God, het Woord wás God, ís God - is naar ons toe gekomen!

Terwijl alle andere godsdiensten gaan om de vraag hoe je bij God kunt komen, zegt de Bijbel dat dit onmogelijk is. Je kunt niet bij God komen. Ten eerste is Hij een geest, verder woont Hij in een ontoegankelijk licht en is Hij te heilig van ogen om zonden, onze zonden, te kunnen zien.

Maar het grote wonder van het Christendom is dat God geen genoegen nam met die situatie: Hij besloot naar óns te komen!

Zelfs het volk dat Hij zo bevoordeeld had: het had zijn woord, zijn wil gekregen, zijn tempel waar de mensen Hem konden ontmoeten. Maar toen Hij persoonlijk in hun midden kwam, accepteerden ze Hem niet.

Ze konden (en kunnen) niet accepteren dat ze Hem zo nodig hadden dat Hij als mens in hun midden moest komen wonen en als volmaakt en onschuldig mens, de schuld op Zich nam en de gevolgen ervan, de dood, moest dragen om ze te redden.

Kun jij dat accepteren?

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.