zondag, mei 22, 2011

Zaligsprekingen in de Psalmen 1

Bij het woord zaligsprekingen denken we vooral aan de Bergrede, waar de heer Jezus begint met de zaligsprekingen. Minder bekend zijn de zaligsprekingen in de Psalmen. Ook die zijn de moeite waard om te overdenken.

Welgelukzalig
Maar laten we eerst even stil staan bij dat woord wel(geluk)zalig. Dat gebruiken we in onze dagelijkse taal niet meer. Vreemd genoeg wel de tegenhanger: rampzalig. Maar dat woord rampzalig kan ons wel helpen om gelukzalig beter te begrijpen. Rampzalig betekent vol rampen of rampen met zich mee brengend. En gelukzalig betekent dus: vol geluk of geluk met zich mee brengend. In het Engels staat er meestal 'Blessed', gezegend, wat de basisbetekenis is van het Hebreeuwse woord. Dat geeft ook al een aanduiding waar we aan moeten denken.
Als er dus staat: Welgelukzalig is de mens... mag je dat dat dus lezen als: je bent een gelukkig mens of je bent een gezegend mens.

Psalm 1
Het boek van de Psalmen opent met een zaligspreking:

Welzalig de man die niet wandelt,
in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
en ook niet zit in de kring van de spotters;
maar die aan de wet van [de] Heer zijn welgevallen heeft,
en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht.

De schrijver zegt hier in feite: Je bent een gelukkig mens als je de juiste keuze maakt. We kunnen het gezelschap op zoeken van de mensen die niets met God te maken willen hebben én we kunnen het gezelschap, het contact met God zoeken, door zijn Woord te lezen en te overdenken. Als je voor dat laatste kiest, zegt de psalmist, dan ben je een gezegend mens, dan rust de zegen van God op je.

Wat kies jij?

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan de NBG-vertaling 1951, © Nederlands Bijbelgenootschap 1951.

woensdag, juli 08, 2009

Alle voedsel rein

In het zevende hoofdstuk van zijn evangelie beschrijft Markus een discussie tussen de Heer Jezus en een aantal Farizeeën over rein en onrein. Weer terug in huis vroegen zijn discipelen daar verder naar. De heer Jezus antwoordde: Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt? Markus voegt daar de volgende woorden aan toe: Zo verklaarde hij alle spijzen rein (Markus 7:1-23, bijzonder de verzen 18 en 19).

Over de vraag wat dat commentaar van Markus nu precies betekent, verschillen de meningen nogal. En die verschillende meningen hebben nogal sterk verschillende impact op ons dagelijks leven.

Aan de ene kant is er de mening die met name van uit de kringen van Messias-belijdende Joden komt. In deze uitleg wordt benadrukt dat in het begin van deze perikoop gaat om het eten met ongewassen handen. Het gaat om de manier van eten, maar het eten zelf staat niet ter diskussie. Binnen de Joodse contekst gaat het natuurlijk om dat wat gegeten mág worden, de reine spijzen.
In deze uitleg gaat het de Heer erom duidelijk te maken dat het er niet zoveel toe doet hoe je eet, want of je je handen nu wel of niet wast: het is niet wat de mond ingaat, maar wat uit het hart komt dat een mens verontreinigt.

Maar deze uitleg verklaart voor mij niet de conclusie van Markus. Ik had dan eerder verwacht: zo verklaarde hij alle manieren van eten rein. Als het alleen gaat om het voedsel dat de wet rein verklaarde, dan voegt de opmerking van de Heer Jezus daar niets aan toe. Wat maakt het uit dat de Heer rein verklaart wat de wet al rein heeft verklaart. Dan kan hooguit bedoeld worden dat de Heer instemt met wat de wet zegt. Maar juist dat is wat voor elke Jood vanzelfsprekend is.

Het is juist die formulering 'zo verklaarde hij alle spijzen rein' die mij brengt tot de andere uitleg. In plaats van instemming suggereert deze manier van zeggen eerder een tegenstelling: zo - door te zeggen dat wat de mond ingaat de mens niet onrein kan maken - verklaarde hij - in tegenstelling tot wat eerder gezegd was - alle spijzen rein - en dus niet allen de spijzen die volgens de wet rein waren. Want wat de mond ingaat - en dat geldt dan voor alle spijzen - kan de mens niet verontreinigen.

Echte onreinheid komt van binnen uit, uit het hart, uit wat je zegt. Wat je eet is niet van belang voor de vraag of je rein bent - laat staan dus als je je handen niet gewassen zou hebben volgens de tradities die zich binnen het Jodendom gevormd hadden. De huichelarij van de Farizeeën die hij in dit stuk aan de kaak stelt, is daar een treffend voorbeeld van. Dát, zegt de Heer impliciet, maakt júllie onrein. Dat is vele malen erger dan het eten van onreine spijzen of het eten met ongewassen handen.

Wat je zegt, ja, wat je denkt, wat er in je hart omgaat, dát is bepalend voor de vraag of je rein bent.

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.

zondag, juli 05, 2009

Jezus, de Zoon van God

Onlangs ontving een brief van iemand die beweerde een christen te zijn en een bijzonder woord te hebben van de heer Jezus. Maar een van de dingen die deze man met grote stelligheid ontkent, is dat Jezus van eeuwigheid God zou zijn.

In zijn visie is Jezus een man, geboren uit de maagd Maria, maar pas vergoddelijkt tot Christus toen hij na de doop door Johannes gedoopt werd met de heilige geest. "Hij is onze god met een kleine g, terwijl onze Vader in de hemel onze God is met een grote G," schrijft hij letterlijk. Niet alleen leert hij daarmee in feite een vorm van polytheïsme (er zijn meer goden, al hebben ze een verschillende status), ook ontkent hij daarmee een van de meest wezenlijke aspecten van het Christendom. Ik aarzel dan ook hem broeder te noemen.

De cruciale vraag is dan of Jezus voor zijn geboorte bestond.

Nee, antwoordt de schrijver van de brief.

Maar ik zeg dan: over wie schrijft Johannes dan, wanneer hij zegt: In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat (Johannes 1:1-3). En wat verderop:Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid... (1:14).

Ik zou hierbij het volgende willen opmerken:
  1. Johannes onderscheidt hier twee identiteiten, God en het Woord.
  2. Het Woord heeft een actieve rol gespeeld in de schepping (zoals bv. ook in Hebreeen 1:2 en Kolosse 1: 16).
  3. Het Woord is mens geworden. Hij was dus eerst 'Woord' en pas in tweede instantie 'mens'.
Er is ook een merkwaardig vers in de Hebreeën brief: Hoewel hij zijn Zoon was, heeft hij moeten lijden, en zo heeft hij gehoorzaamheid geleerd (5 vers 8). Het is merkwaardig omdat naar onze menselijke begrip het juist omgekeerd zou moeten zijn.

Je zou verwachten: Omdat hij zoon was, heeft hij gehoorzamheid geleerd. Want elke zoon leert terwijl hij opgroeit gehoorzamen. Maar hier is iemand die hoewel hij zijn Zoon was, nog geen gehoorzaamheid geleerd had, maar dat tijdens zijn leven, door alle lijden heen, geleerd heeft. Dat kan dus alleen als hij eerst Zoon was zonder als zodanig te zijn opgegroeid, zonder als mens geboren te zijn.

Wat betekent dat vers in de Hebreeën-brief dan? Dat hij hoewel hij zijn Zoon was, hem (God de Vader) niet ondergeschikt was. Dat kwam pas toen hij als mens hier op aarde leefde.

Hij was - zoals Paulus het in Filippenzen 2 vers 5-7 - God gelijk. Hij
  1. had de gestalte van God,
  2. deed afstand van zijn gelijkheid aan God,
  3. nam de gestalte aan van een slaaf en
  4. werd gelijk aan een mens.
Let weer goed op de volgorde: eerst God, vervolgens werd hij - door een bewuste keus en handeling - een mens.

Dit is fundamenteel onderwijs van de Bijbel, zo wezenlijk, dat ik iemand die dit loochent geen broeder of zuster kan noemen. Johannes zegt zelfs: Wie niet bij de leer van Christus blijft maar verder wil gaan, heeft God niet (2de brief van Johannes, vers 9).

Want waar het uiteindelijk om gaat is de vraag: Wie heeft mijn zonden gedragen?

Ik geloof, met de Bijbel in mijn hand, dat God zelf dat gedaan heeft. Daarom is Hij mens geworden, daarom heeft Hij - zoals het in Hebreeën 2 staat - aan bloed en vlees deelgenomen (Telosvertaling). Daarom heeft Hij zich vernederd - nadat hij mens geworden was, Filippenzen 2:8 - en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan een kruis. Zover wilde God zelf gaan om mij te redden uit de macht van de duisternis.

Wie dat niet gelooft, heeft God niet, die heeft een andere god, een mindere god, een afgod.

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.
De Telosvertaling is een uitgave van Uitgeverij H.Medema, Vaassen.

De oudste zoon van Noach

De vertaling van Genesis 10:21 wil nog wel eens verschillen als je meerdere vertalingen vergelijkt. Het lijkt wel of ze het er niet over eens zijn wie nu de oudste zoon van Noach is. De NBV schrijft: Ook Sem kreeg zonen. Hij, de oudste broer van Jafet, is de stamvader van alle nakomelingen van Heber. Maar Darby vertaalt: And to Shem - to him als were [sons] born; he is the father of all the sons of Eber, the brother of Japheth the elder.

Het hebreeuws laat beide vertalingen toe. Toch is de keuze van de vertaling niet willekeurig. De Bijbel geeft voldoende aanwijzingen om een gefundeerde keuze te maken.

In Genesis 5 vers 32 lezen we: Toen Noach 500 jaar oud was, verwekte hij Sem, Cham en Jafet. In hoofdstuk 9 vers 24 staat nadrukkelijk vermeld dat Cham Noachs jongste zoon was. Dus het vers in hoofdstuk 5 geeft geen leeftijdsvolgorde. Blijft dus de vraag wie in Noachs 500ste jaar geboren werd.

Die vraag wordt impliciet beantwoord in hoofdstuk 11, waar we lezen in vers dat Sem, toen hij honderd jaar oud was, Arpachsad verwckte 2 jaar na de vloed. Dat betekent dus dat Sem 98 was in het jaar van de vloed (het 600ste van Noach) en dus geboren moet zijn in het 502de jaar van Noach.

Sem kan dus de oudste niet zijn. Cham was de jongste. Blijft dus alleen Jafet over. Hij moet degene zijn die in het 500ste jaar van Noach geboren is, Noachs eerstgeborene. Hij is de oudste van de drie.

Daaruit volgt dus dat zowel de NBG als de NBV, maar ook de Statenvertaling voor de verkeerde vertaling heeft gekozen. De vertaling zou moeten zijn: Ook Sem kreeg zonen. Hij, de broer van Jafet de oudste (of: de oudere), is de stamvader van alle nakomelingen van Eber. In mijn eigen vertaling: Aan Sem, ook aan hem, werd [nageslacht] geboren. [Hij is] de vader van alle zonen van Heber, de broer van Jafet de ouderen.

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.

vrijdag, juni 12, 2009

De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig

Ik moest aan die woorden denken: God is genadig, die bijna als een refrein de hele Bijbel door herhaald worden. Wat betekent dat: God is genadig?

Dat betekent dat God goed voor ons is, ons goed doet, zonder dat wij het verdienen. Dat Hij zegent zonder dat we er recht op hebben. Als God ons zegent, ons goed doet, doet Hij dat niet omdat wij iets gedaan hebben, waar Hij op reageert, maar dan doet Hij dat, omdat Hij zelf vol goedheid en liefde is. Hij wil ons geven uit zijn eigen overvloed. Pas als daarop geen enkele reactie komt, geen ommekeer, geen verandering van leven, pas dan blijkt God ook die andere kant te hebben: dan oordeelt Hij. Maar Hij oordeelt niet graag! Hij zegent liever.

Een God die liefdevol is (barmhartig in de oudere vertalingen) en genadig. Dat is onze God.

Uit die volheid van zijn liefde is zijn Zoon gekomen en mens geworden, onder ons komen wonen. Hij wilde zo dicht mogelijk bij ons komen, om ons goed te doen. En uiteindelijk ging Hij naar het kruis om daar het oordeel te dragen, zodat Hij ons kon zegenen, terwijl wij schuldig waren, niets verdienden.

Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Liefdevol en vol genade!

De bijbelteksten in dit blog zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.

woensdag, september 24, 2008

De vrede van God zal uw harten en gedachten bewaren in Christus Jezus

In Filippenzen 4:5 verzekert Paulus de gelovigen dat de Heer nabij is. Het is goed dat te weten, te geloven. 

Maar daar is Paulus niet tevreden mee. 

Te weten dat de Heer nabij is, moet ons ertoe brengen ons niet bezorgd te maken en God alles te vragen wat we nodig hebben. Weten is een ding, wil Paulus eigenlijk zeggen, maar het is ook ontzettend belangrijk op grond van de kennis, van dat geloof, te handelen! Zet dat geloof om in daadwerkelijk vertrouwen: vertrouw op de Heer die ons nabij is en maak je dus niet bezorgd. Je weet toch dat Hij bij ons is en voor ons zorgt!

En dan mag je alles aan God vragen wat je nodig hebt. Maar let wel: je kunt vragen op twee manieren: als een uiting van vertrouwen en juist als uiting van ongeloof. Daarom voegt Paulus er die woorden aan toe: en dank Hem in al uw gebeden. Dan is het een uiting van vertrouwen, vertrouwen in Hem die ons nabij is.

Zo'n handelen in geloof, in vertrouwen, zal een belangrijk effect hebben: dan zal de vrede van God die alle verstand te boven gaat, onze harten en gedachten in Christus Jezus bewaren. Vertrouwen leidt tot vrede, een vrede die het verstand te boven gaat. Want het verstand kan niet verder kijken dan onze noden, onze gebreken, onze beroerde situatie. 

Maar werkelijk vertrouwen in de Heer die ons nabij is en voor ons zorgt, geeft vrede in ons hart, de vrede van God, een vrede zoals God alleen die kan geven. Dan kun je immers rusten in de zekerheid dat God voor je zorgt, zelfs als niet onmiddellijk aan als onze wensen voldaan wordt!

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.

maandag, april 28, 2008

ook de diepten van God

1 Korinthe 2:9-16

God heeft niets aan het toeval overgelaten als het erom gaat ervoor te zorgen dat zijn kinderen begrijpen wat er in het diepst van zijn hart leeft. In de Korinthe-brief geeft Paulus in vijf stappen aan hoe God dat gewaarborgd heeft.


Ik vind heel mooi hoe Paulus met een citaat uit Jesaja omschrijft wat God zich voorgenomen heeft aangaande ons, zijn kinderen. In de verzen hiervoor omschrijft hij dit als de wijsheid van God. Vervolgens citeert hij uit Jesaja: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft.’ (1Ko.2:9)


God heeft plannen en niemand heeft die van tevoren gekend, geen oog heeft het gezien, geen oor het gehoord. Het is in geen mensenhart opgekomen. Het gaat om wat God zelf, vanuit de overvloed van zijn genade bestemd heeft voor wie hem liefheeft.


1. De eerste van de vijf stappen waarin Gods wijsheid tot ons komt is: De Geest doorgrondt alles, ook de diepten van God. Wie is in staat de mens te kennen, behalve de geest van de mens? Zo is alleen de Geest van God in staat om God te kennen. (1 Ko.2:10b-11)

Alleen de Heilige Geest kent God, weet wat er in de diepten van God, in het diepst van zijn hart leeft. En aan zijn 'onderzoek' hebben wij alles te danken wat we weten.


2. Vervolgens is het de Heilige Geest, die deze dingen heeft geopenbaard aan de apostelen: God heeft ons dit geopenbaard door de Geest (10a). Zij hebben door een rechtstreekse openbaring, in visioenen, gezichten, ontvangen wat in Gods hart leeft.


Maar dat is niet genoeg.


3. Paulus voegt daar vervolgens aan toe: Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in zijn goedheid heeft geschonken (12). Het is niet genoeg dat de Heilige Geest het openbaart aan de apostelen, Hij moet ook hun harten verlichten zodat het echt doordringt en ze het gaan begrijpen. In de Efeze-brief spreekt Paulus over verlichte ogen van het hart (Ef.1:18), dat is wat hij hier bedoeld.


Petrus schrijft over de dingen die aan de profeten van het Oude Testament geopenbaard werden. Zij begrepen niet wat zij ontvingen, omdat het niet voor hen, maar voor ons bestemd was (1Pt.2:10-12).


4. De belangrijke vierde stap is dat de apostelen doorgaven wat zij hadden geleerd: Daarover spreken wij, niet op een manier die ons door menselijke wijsheid is geleerd, maar zoals de Geest het ons leert: wij verklaren het geestelijke met het geestelijke (13). Ook hierbij is het de Heilige Geest die hen leidt, die hen leert hoe ze moeten doorgeven.


Dit woord hebben wij in geschreven vorm doorgekregen, in de brieven, de evangelieën. Zo is het tot ons gekomen.


Maar dat is niet genoeg.


5. De laatste stap is vergelijkbaar met de derde: zoals de Heilige Geest het hart van de apostelen moest verlichten om hen te doen begrijpen wat hen geopenbaard was, zo moet dat ook in onze harten. Een mens die de Geest niet bezit, aanvaardt niet wat van de Geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid. Hij kan het ook niet begrijpen, omdat het geestelijk moet worden beoordeeld (14).


Er zijn een heleboel mensen die dezelfde Bijbel lezen als wij, maar die helemaal niets snappen van wat Gods diepste plannen zijn. Die dat niet kunnen ook, omdat ze de Geest van God niet hebben. Ze zijn nog ongelovig, onwedergeboren en zijn daardoor gewoon niet in staat te begrijpen waar het werkelijk om gaat.


Daarvoor moet je de Geest van God hebben: Maar een mens die de Geest wel bezit, kan alles beoordelen, en zelf wordt hij door niemand beoordeeld (15). Beoordelen betekent hier zoveel als op waarde schatten. Wij aanvaarden en schatten op waarde wat God ons door zijn Geest meedeelt.


En het gezegende resultaat is dat wij niet alleen Gods wijsheid kennen, maar dat wij daardoor gevormd worden. Ons denken, ons voelen, ons hele wezen verandert. We gaan op Christus lijken:


Er staat immers geschreven: ‘Wie kent de gedachten van de Heer, zodat hij hem zou kunnen onderwijzen?’ Welnu, onze gedachten zijn die van Christus (16).


----

De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.

dinsdag, maart 25, 2008

Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt

1 Korinthe 15

Er was veel mis in Korinthe. Er waren morele misstanden, er waren scheuringen en er was ook een gevaarlijke dwaling. Er waren mensen die beweerden dat er geen opstanding was.

Paulus neemt een heel hoofdstuk om deze dwaling en zijn (mogelijke) effecten te weerleggen. Hij doet dat in 7 stappen.

1. Getuigenissen (1-11)

Paulus begint met de basis. Christus, zo begint hij, is voor onze zonden gestorven, zoals in de Schriften staat en hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat (vs.3 en 4).

De opstanding is met andere woorden al van te voren door God aangekondigd en heeft dus dezelfde grondslag als het feit dat hij voor onze zonden gestorven is. Als je het één loslaat, moet je het ander loslaten.

En het is ook niet iets nieuws dat Paulus heeft geïntroduceerd. Wat ik aan jullie, Korinthiërs, heb doorgegeven, zegt hij, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen! En dat was het evangelie dat ze zelf hadden aangenomen.

Maar bovendien, voegt Paulus eraan toe, is hij verschenen! En niet aan één man of vrouw, nee, hij noemt een hele reeks getuigen. Bij één gelegenheid zelfs aan meer dan vijfhonderd man. En ook Paulus zelf had hem gezien.

2. u bent nog een gevangene van uw zonden (12-19)

Vervolgens begint Paulus te wijzen op de gevolgen van het ontkennen van de opstanding.

Die mensen die beweren dat er geen opstanding is, zeggen dus in feite dat Paulus (en de andere apostelen) die dit vanaf het begin verkondigd hebben, leugenaars zijn, ja dat God zelf gelogen heeft.

Maar het belangrijkste gevolg als er geen opstanding is, is dat dus ook Christus niet is opgestaan. Dat maakt heel je geloof zinloos, want als Christus niet is opgestaan, dan zijn jullie nog steeds gevangenen van je zonden.

Juist omdat Hij is opgestaan, weten we dat zijn offer voldoende was, dat de zonden weg zijn.

3. opdat God over alles en allen zal regeren (20-28)

Maar, vervolgt Paulus, Christus is werkelijk uit de dood opgewekt. De vooraankondiging door God in de Schriften en de getuigen die hem na zijn opstanding gezien hebben, zijn genoeg om dat zeker te weten.

En daarmee ligt de weg open voor de vervulling van Gods plan.

Want God heeft een doel voor ogen dat nauw verbonden is met de opstanding, van Christus, maar ook van alle andere mensen. De dood is in de wereld gekomen door een mens, Adam. Zo is ook de opstanding uit de dood er door een mens: Christus. God kon ons toch niet in de dood laten. Dan zou de duivel gewonnen hebben.

Nee, er is een opstanding uit de dood. Ieder in zijn eigen volgorde: Christus als eerste en daarna, wanneer hij komt, zij die hem toebehoren (vs.23). En daarna komt het einde, wat hier zoveel betekent als het einddoel en niet einde in de zin dat alles ophoudt. Integendeel, dit einde is juist een nieuw begin, een nieuw begin in opstandingskracht.

Na zijn komst is Christus koning totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd’. De laatste vijand is de dood. De regering van Christus is er dus uiteindelijk op gericht om de dood te niet te doen!

Dan draagt hij het koningschap over aan God, de Vader (vs.24), opdat God over alles en allen zal regeren (vs.28).

Dat doel ligt besloten in en kan allen gerealiseerd worden door de opstanding van Christus uit de dood!

4. geen enkele kennis van God (29-34)

Als er geen opstanding zou zijn, waarom zouden mensen dan door de doop de plaats innemen van de christenen die al door vervolgingen om waren gekomen? Waarom zou je deel willen uitmaken van zo'n gezelschap.

Zelf ondervond Paulus deze vervolging. Waarom zou ik dat doen? vraagt hij de Korintiërs. In Efeze heb ik op leven en dood gevochten; wat zou ik daarmee hebben bereikt als ik geen hoop had? Sterker nog, mijn beste Korinthiërs, voegt hij eraan toe: Wanneer de doden toch niet worden opgewekt, kunnen we maar beter zeggen: ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we.’

Dat is de uiterste consequentie van dat denken. Als er geen opstanding is, dan is dit leven het enige dat we hebben en dan moet je daar maar het beste van maken. Dan ga je je toch niet in gevaren wagen?

En vergis je niet. Als je met dit soort ideeën omgaat, als je ze tolereert, dan zal dat je denken beïnvloeden! Maar vergis u niet: slecht gezelschap bederft goede zeden.

Hij eindigt dit stukje met hetzelfde verwijt dat de Heer Jezus de Sadduceeën maakte (Mt.22:29, 31-32): Sommigen van u hebben geen enkele kennis van God. U moest u schamen. Als je God werkelijk kent, weet je dat Hij een God van opstanding is, een God van leven.

5. Het opstandingslichaam (35-49)

Natuurlijk leidt dat tot de vraag welke vorm die opstanding dan aanneemt. Wat voor lichaam zal dat dan zijn?

Ik wil niet uitgebreid op alle verzen ingaan. Waar het in essentie op neer komt is dat Paulus zegt dat we dat in feite niet weten, omdat we alleen maar weten wat we zaaien: ons aardse lichaam, ons natuurlijk lichaam. En net zo min als je je op basis van een graankorrel een aar kunt voorstellen, kunnen wij ons het opstandingslichaam voorstellen.

Het belangrijkste wat hij erover kan zeggen, zijn tegenstellingen: Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wat we zaaien is vergankelijk, zwak, onaanzienlijk en aards (eigenlijk: door de ziel gekenmerkt). Wat we zullen oogsten is onvergankelijk, schitterend, krachtig en geestelijk (dus: door de geest gekenmerkt, de Heilige Geest uiteindelijk).

Voor God waren er maar twee mensen: de Eerste Mens, Adam, en de Tweede Mens, Christus. Allen die van Adam afstammen, zijn als Adam. Maar wie Christus aannemen, worden als Hij en zullen deel krijgen aan diezelfde opstanding en het lichaam dat daarbij hoort. In Christus, door zijn opstanding, is God iets nieuws begonnen. Daarom is Hij niet alleen de Tweede Mens, Hij is ook de Laatste Adam. Er komt geen andere meer. In Hem is Gods doel bereikt, al is het nog niet verwerkelijkt. maar dat zal wel komen: zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.

6. De wederkomst (50-57)

Paulus gaat nog een stap verder. De opstanding is niet alleen wenselijk, niet een leuk extraatje. Nee, het is essentieel: wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God; het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid.

Het Koninkrijk van God wordt hier bedoeld zoals eerder in dit hoofdstuk: het Koninkrijk in heerlijkheid, niet in zijn verborgen vorm zoals wij het nu kennen. Nee, wanneer Christus straks komt in heerlijkheid om dat rijk op te richten, dan hebben wij dat geestelijk lichaam, dat onvergankelijke lichaam nodig. Anders kunnen we niet mét Hem verschijnen, niet met Hem vanuit de hemel regeren.

En dan verklapt hij een geheimpje: Degenen die al gestorven zijn zullen opgewekt worden, daar heeft hij net over gesproken. Maar hoe zit het met degenen die dan leven? Moeten die ook eerst sterven? Nee, zegt Paulus, wij zullen [...] allemaal veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk. Wij zullen - als je het heel letterlijk vertaalt - een metamorfose ondergaan. Net als de rups die in een vlinder verandert, maar dan in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk.

Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke. En als dat gebeurd is, dan is wat ons betreft de dood verslagen en beroofd van zijn macht! Daar ligt onze christelijke hoop: de opstanding uit de doden, bekleed te worden met een onvergankelijk en onsterfelijk lichaam, gelijk aan het lichaam van Christus' heerlijkheid (Fp.3:21, 1 Jh.3:2)

7. Conclusie (58)

Kortom (of beter: Daarom), geliefde broeders en zusters, wees standvastig en onwankelbaar en zet u altijd volledig in voor het werk van de Heer, in het besef dat door de Heer uw inspanningen nooit tevergeefs zijn. (vs.58)

Nu hij ons duidelijk gemaakt heeft hoe essentieel het geloof in de opstanding uit de doden is, de opstanding van Jezus Christus, kan Paulus tot de conclusie komen: wees standvastig, laat je niet aan het wankelen brengen, zet je in voor de Heer, want je weet dat het niet tevergeefs is: Er volgt een opstanding en dan zullen we beloond worden en terug kunnen kijken op alles wat we voor Hem hebben mogen doen.

Het is de opstanding uit de doden en onze hoop daarop, die ons leven hier perspectief en richting geeft.

Houd daaraan vast!

----
De bijbeltekst in dit blog is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007, tenzij anders vermeld.